Geschiedenis van de Lutine

reis.990814lutineDe Lutine was een fregat met 38 kanons, waaronder 26 twaalfponders, gebouwd in 1779 te Toulon. Op 9 oktober 1799 verging het nabij Terschelling met een grote lading goud, zilver, Spaanse matten en dubloenen, die slechts gedeeltelijk is teruggevonden. De lading was verzekerd bij Lloyd’s of London, dat de schade uitbetaalde.

Levensloop

Op 18 december 1793, na de Franse revolutie, was het een van de zestien schepen die door Franse koningsgezinden in Toulon aan de Britse viceadmiraal Lord Hood werden overgedragen. Onder Engelse vlag werd de naam gewijzigd in H.M.S. Lutine. In Engelse dienst blokkeerde het jarenlang op de Noordzee de toegang tot Amsterdam.

Ondergang bij ’t Vlie

In het jaar 1799 vervoerde de Lutine een grote lading goud en zilver ter waarde van bijna een miljoen pond vanuit Engeland naar Hamburg. Als begeleiding van de lading reisde een aantal notabelen mee, onder wie de notaris J. Schabracq uit Londen. In de nacht van 9 op 10 oktober verging het schip in een storm tussen Vlieland en Terschelling en kwamen 269 van de 270 opvarenden om. De enige schipbreukeling die de ramp overleefde, spoelde op het strand aan. De krant Bell’s Weekly Messenger meldde op 20 oktober 1799 dat deze overlevende de genoemde notaris was.

Velen van de opvarenden werden begraven “in een kuil achter de Brandaris”. Dit is mogelijk het huidige Dodemanskisten. De kapitein en twee officieren spoelden aan op Vlieland en werden naast de kerk op Oost-Vlieland begraven. Een van de kooplieden spoelde aan op Sylt en werd op het kerkhof van Westerland begraven.

SFA022806737Berging

Direct na de ramp werden er pogingen ondernomen de kostbare lading te bergen. Eind november klaagde drost Robbé van Vlieland dat er “dagelijks vaartuigen boven het wrak liggen”, waarbij hij in het bijzonder vissersboten uit Urk noemde. De Hollandse Commissie voor Domeinen verklaarde het schip daarom tot oorlogsbuit. Doordat Robbé nu het alleenrecht had, kon hij in rust het schip proberen te bergen. Daarbij maakte hij alsnog gebruik van Terschellinger en Urker vissers. In 1800 kwam de eerste serieuze berging op gang, waarbij touwwerk, een kanon en kogels worden geborgen. Later in hetzelfde jaar werden in totaal dertien staven goud, vijftien staven zilver, 29.248 Spaanse matten en een kistje met munten geborgen. Het jaar erop kwamen nog eens 45 gouden staven, 20 zilveren staven, 12.262 Spaanse matten en 179 gouden dubloenen boven water. De gezamenlijke waarde bedroeg 572.582 gulden. In de winter van 1803 raakte het wrak door zand bedolven en het duurde tot 1814 voordat men weer bij het wrak kon komen. Het lag op vijftien meter diepte, men wist zeventien munten te bergen. Wederom verdween de Lutine onder het zand. Van 1857 tot 1860 werden nog 41 gouden staven, 64 zilveren staven en 15.350 gouden en zilveren munten aan wal gebracht. De totale waarde hiervan wordt op 529.487 gulden geraamd.

De scheepsbel

In 1858 werd de scheepsbel geborgen. Hij woog 53 kilo en had een doorsnede van 44 cm.De inscriptie op de bel is ST. JEAN – 1779. Aangezien de luidklok nu eigendom van Lloyd’s was, werd deze opgehangen in de grote hal van de toenmalige vestiging, en later in de drie opvolgende Lloyd’s-gebouwen. De bel van de Lutine werd tot circa 1980 eenmaal geluid bij slecht nieuws, en tweemaal bij goed nieuws. Thans is de bel gescheurd.

Landmerk

In 1876 werden landmerken in de vorm van stenen zerken op de eilanden geplaatst om de juiste positie van de Lutine vast te leggen. De steen op Terschelling kreeg de inscriptie Lutine Brandaris en die van Vlieland Lutine Veldkaap.

ZZM01_F017071_UNieuwe bergingen

Van 1886 tot 1892 werd met twee schelpenzuigers het zand rond de Lutine weggezogen en het wrak blootgelegd. In 1886 werden 3573 gouden en zilveren munten geborgen. De gezamenlijke waarde bedroeg 8232 gulden. Ook zilveren en gouden voorwerpen, kanonskogels en kanons werden geborgen. Twee kanons werden naar Engeland gebracht en twee naar Makkum. Deze twee werden in 1910 bij Kasteel Amerongen geplaatst. In 1887 en 1888 werd nog voor respectievelijk 2174 en 720 gulden aan munten en voorwerpen geborgen.

Van 1894 tot 1911 zochten de Engelsen naarstig naar meer goud. Bij een paar expedities werden er enkele kogels, nagels, menselijke beenderen en munten geborgen. In 1911 werden ook beide 3900 kg zware boegankers geborgen alsook vijftien kanons. De totale opbrengst hiervan bedroeg 1762,90 gulden. Er werden echter geen staven meer gevonden. Ook een expeditie met de Stortemelk van Rederij Doeksen in 1924–1925 leverde niets op. Van 1928 tot 1933 probeerde Rederij Doeksen samen met Reder Dros wederom naar het wrak te graven. Toen werden slechts enkele Spaanse matten en één gouden munt geborgen.

In 1934 werd een toren van 21 meter hoog boven het wrak geplaatst, het water en zand eruit weggezogen, waarna een gebied van 112 m² kon worden afgezocht. Er werden wrakstukken van eikenhout en een kanon geborgen.

Op 9 juni 1938 werd de zeebodem door de Karimata zorgvuldig afgebaggerd, met slechts een goudstaaf van 3,5 kg als resultaat, alsmede vijf kanons, waarmee kwam vast te staan dat er van de kostbare lading niet veel meer over was. De hele operatie kostte 442.554 gulden, maar de opbrengst was slechts 12.038 gulden.

Ook na de Tweede Wereldoorlog werd er door Kelly Tarlton alsook de tandarts Ane Duijf uit Harlingen nog een enkele poging gewaagd om nog iets te vinden, maar zonder resultaat.

Volksverhaal La Lutine

Er is een volksverhaal over het 18e-eeuwse fregat La Lutine.

In een bankiershuis in Londen komt een wazige gestalte binnen, het is geen deftige heer. De man draagt een zonderlinge mantel en enkel omdat de bankier graag clientèle wil opbouwen, vraagt hij waarmee hij de bezoeker kan dienen. De heer wil de directeur zelf spreken en gaat mee naar een klein kantoor. De bankier moet een brief bewaren en krijgt een goudstuk voor deze dienst. De man wil zijn naam niet vertellen en zegt ook niet hoe lang hij de brief in de bank wil bewaren. Als de man nooit terugkeert, mag de brief nog niet geopend worden. Als de bankier hem zal lezen, zal ongeluk toeslaan, waarschuwt hij nog. De bankier ziet hoe de man verdwijnt, er blijft een grijze nevelsliert achter. De bankier bergt de envelop op en in de volgende maand krijgt hij veel klanten. Het lijkt alsof het geld zijn kantoor binnenrolt en al snel groeit het kleine zaakje uit tot een schatrijk bankiershuis. Op een dag zijn de zonen van de bankier zelf succesvol en hij vindt dan de oude brief in zijn kast. Hij denkt terug aan de jaren dat hij nog een jongeling was en hij glimlacht als hij de zegels verbreekt. Hij kan de tekens echter niet lezen en een kou kruipt door zijn lichaam naar zijn hart.

De zonen vinden hun vader met zijn gezicht op de brief. Ze maken zich geen zorgen om de onleesbare oude brief en ze houden alles bij het oude. De Franse Revolutie zet Europa echter op zijn kop en Engeland en Frankrijk raken inoorlog. De Lage Landen worden bezet door de Fransen en in 1799 willen de Engelsen Noord-Holland bevrijden. Er is veel geld nodig en er wordt goud naar Hamburg verscheept in een schip dat in 1793 op de Fransen is veroverd. De matrozen verheugen zich op zwieren op de Reeperbahn en niemand denkt eraan dat lutin een kwelgeest is. La Lutine is een vrouwelijke, dus nog honderdmaal erger dan een lutin. Zeemansbijgeloof schrijft voor dat de naam van een schip nooit veranderd mag worden, dit zou ongeluk brengen.

In oktober gaat de bemanning in de kwelgeest de Noordzee op, maar wordt overvallen door een storm op de hoogte van Terschelling. Op de Westergronden is het fregat vergaan met man en muis. De inval in Noord-Holland liep uit op een nederlaag en de bank ging failliet. La Lutine met haar goud blijft rondspoken in het hoofd van lieden die snel rijk willen worden. De Karimata had een officiële baggerpartij en wilde een einde maken aan de praatjes over een onmetelijke goudschat. Er kwam slechts één goudstaaf naar boven. Men zegt dat er voor ongeveer 1,2 miljoen gulden is geborgen en zo’n 9 miljoen is clandestien opgevist. Men hoort soms een Frans gegiechel over de Westergronden, de kwelgeest met het goud wacht.